Bij het bed van geen kind

Ik had u zo graag negen maanden lang
in mijn schoot geborgen en gedragen
maar jaren noch maanden noch dagen,
geven respijt aan deze levensdrang

Om te borgen en te beminnen,
om leven te schenken vanuit de schoot.
In de vrouw gaat een moeder dood,
haar lot beslecht door schikgodinnen

Of door God, geen mens die weet,
wie de macht heeft en ‘t gezag,
naar wie ik mij nog wenden mag,
te vragen mag: ‘aanhoort mijn beed’.

Mijn huis is stil, en zonder uwen stem
weerklinkt vreugd’ noch lach noch lied,
en ook mijnen voetstap vergaat in ‘t niet
en wordt tot stof op ‘d uitgebloeide brem.

Want de tuin staat in bloei, alles rond mij leeft.
Buiten is het zomer; jonkies verlaten hun oord.
Maar binnen wordt mijn hart doorboord
want u zal ik niet hebben beleefd.

Dit gedicht is een variatie op een gedicht van Willem Elsschot

Wil je hierop reageren, klik dan hier